RWO-ARA: Deontologie
1. Algemeen
Hulpverleners zijn gebonden aan het beroepsgeheim (cfr. strafwetboek art 458-458 bis). Voor alle regelingen over het beroepsgeheim verwijzen we naar de betreffende wetgeving en jurisprudentie betreffende het beroepsgeheim, de wet op de verwerking van persoonsgegevens en de wet op de patiëntenrechten.
Hulpverleners die deelnemen aan het casusoverleg zijn gebonden aan het gedeeld beroepsgeheim. Vooraf oordelen zijzelf of ze aan die voorwaarden voldoen. De uitwisseling van gegevens gebeurt volgens het kaderdecreet IJH (art. 32) en het decreet op de rechtspositie van de minderjarige.
Alle personen, zowel diegenen die beroepshalve betrokken zijn als zij die vrijwillig hun medewerking verlenen aan de toepassing van het decreet IJH, zijn gebonden door de geheimhoudingsplicht, bedoeld in art. 458 van het strafwetboek (art.8 Kaderdecreet IJH).
Hulpverleners zijn ook gebonden aan de deontologische code van hun eigen sector en/of organisatie.
2. Specifieke bepalingen
1. De cliënt informeren De hulpverlener die een cliëntoverleg wil aanvragen bespreekt dit met zijn cliënt (1). Hij informeert hem, in begrijpelijke taal, over de doelstelling, de organisatie van het overleg en over de deontologische code en de spelregels.
2. De cliënt toestemming vragen De toestemming van de cliënt is noodzakelijk. Deze toestemming kan zowel mondeling als schriftelijk worden gegeven.
3. De cliënt motiveren om aanwezig te zijn De hulpverlener die het overleg aanvraagt, motiveert de cliënt om aanwezig te zijn op het overleg. De minderjarige kan zich laten bijstaan door een bijstandspersoon(2).
4. De cliënt voorbereiden De hulpverlener die het overleg aanvraagt bereidt zijn cliënt voor. Hij ondersteunt de cliënt om eigen aandachtspunten en standpunten in te brengen.
5. Aanwezigheid van anderen De hulpverlener die het overleg aanvraagt bepaalt samen met de cliënt welke hulpverleners best nog aanwezig zijn. De externe voorzitter brengt alle hulpverleners op de hoogte van de samenstelling en de agenda van het overleg. Ook zij bereiden het overleg voor, indien nodig samen met hun cliënt.
6. Verslag over de participatie van de cliënt. Bij het begin van het overleg bevraagt de externe voorzitter de cliënt over zijn participatie bij de voorbereiding van het overleg. Bij afwezigheid van de cliënt bevraagt hij de hulpverleners.
7. Het gedeeld beroepsgeheim De hulpverleners die deelnemen aan het cliëntoverleg zijn gebonden aan het gedeeld beroepsgeheim. Bij het begin van het overleg verduidelijken de deelnemers in welke hoedanigheid en met welke opdracht ze deelnemen.
8. ‘Need to know’ Enkel die informatie wordt uitgewisseld die relevant en noodzakelijk is voor het overleg. De cliënt blijft recht hebben op geheimhouding van wat in vertrouwen aan een hulpverlener is verteld.
9. Geïnformeerde instemming over gegevensuitwisseling In de mate van het mogelijke trachten de hulpverleners de geïnformeerde instemming te verkrijgen van de personen waarover gegevens zullen uitgewisseld worden.
10. Respect voor de rechten van de cliënt De externe voorzitter zorgt ervoor dat de cliënt gelijkwaardig kan participeren aan het overleg.
11. Respect voor andere hulpverleners Hulpverleners respecteren de relatie die andere hulpverleners hebben met de cliënt. Niemand heeft het mandaat om de kwaliteit van de hulpverlening van de anderen te evalueren.
12. De afwezige cliënt inlichten Bij afwezigheid van de cliënt spreken de hulpverleners af wie de cliënt zal informeren over het verloop en de besluiten van het overleg.
13. Het werkplan De externe voorzitter formuleert de besluiten van het overleg in een werkplan. Dit werkplan is vertrouwelijk. De externe voorzitter verstuurt dit werkplan ten laatste 14 dagen na het overleg aan alle betrokkenen. De externe voorzitter bewaart het aanvraagformulier en het werkplan gedurende 5 jaar. De hulpverlener die het overleg aanvraagt informeert de cliënt hierover.
14. Klachten De cliënt die klachten heeft over het verloop van het overleg bezorgt die bij een betrokken hulpverlener. Deze volgt de klachtenprocedure van zijn voorziening. Hulpverleners kunnen hun klacht formuleren bij de regionale beleidsmedewerker IJH.
(1) cliënt = kind, jongeren en opvoedingsverantwoordelijken
(2) bijstandspersoon: door de jongeren gekozen, gebonden aan het beroepsgeheim, of een leraar van de school. Zie brochure ‘Mijn rechten in de jeugdhulp’, op de website www.vlaanderen.be/jeugdhulp bij publicaties voor >12-jarigen
